Boomverzorging.

Ondanks de vele zelfregulerende eigenschappen die bomen hebben, kan het toch nuttig zijn om aan boomverzorging te doen. Vooral bomen in lanen, parken en tuinen groeien in een verstoorde voedingsbodem. De humuslaag en de bewortelingsruimte zijn dikwijls ontoereikend.

Volgende ingrepen komen de algemene gezondheid van de boom ten goede:

Verwijderen van het dode hout. Takken die door lichtgebrek afsterven en later afbreken, laten verhakkelde wonden achter. Door deze dode takken zuiver af te zagen, krijgen schimmels, bacteriën en insecten minder kans om via deze wonden de boom binnen te dringen en aan te tasten.

Uitvoeren van een “zachte snoei”. Door een zachte snoei (bijvoorbeeld weinig en kleine snoeivlakken) wordt de natuurlijke groeiwijze bevorderd. Bij een verjongingssnoei worden oudere takken weggenomen ten voordele van jongere groeikrachtige takken.

Grondverbetering. Door grondverbetering wordt de groei van de haarwortels bevorderd en verbetert de algemene voedingstoestand van de bodem.

Kroonverankering. In sommige gevallen kan een kroonverankering nuttig zijn om het uitscheuren van zware gesteltakken te voorkomen. Hoe steiler een tak is ingeplant op de stam, hoe minder stevig deze inplanting is. Een kroonverankering gebeurt door het plaatsen van stormankers.